Bij het verzamelen van de talrijke, en veelal kostbare voorwerpen,
die zich nog in de verlaten pastorie bevonden, werd door de veldwachter,
in een muurkast van de kapittelzaal, een sigarendoos gevonden, waarin zich
verkalkte stukken van een menselijke schedel bevonden.
De schedelstukken lagen zorgvuldig op een laag wat gespreid, als
ook een ledige brief omslag, met hierop volgende tekst: " Volgens E.H.Nijs,
is deze schedel van een der jongedochters van Craywinckel"
Onder de laag watte bevonden zich nog twee mededelingen, waarvan
een in het Frans en een in het Nederlands was opgesteld. Op het eerste
briefje kon men lezen: "Achterhoofdbeen, afkomstig van een persoon ouder
dan 13 jaar, eigendom van de dekenij Lubbeek. Ter indentifikatie neergelegd
in de abdij van Park-Heverlee. Toevertrouwd aan mijnheer Peeters, 12 oktober
1932." Deze tekst was ondertekend Josephus Bols (deken van Lubbeek,
overleden in 1947).
Het tweede briefje droeg de volgende tekst: "Tot nu toe is mijnheer
Versteylen er niet in gelukt de zegels te ontcijferen. Zij zijn niet van
Frankenbergh. Hij heeft copij genomen van beide, en zal U aanstonds inlichten
als het gelukt is." ook deze mededeling staat duidelijk in verband
met de schedelresten, waarop trouwens een lakzegel is aangebracht met een
zeer onduidelijk zegelmerk.
Anno 1660 den 25 augusti hebben d'nabueren van Alden Eyck soo oock dij
uit het Venne, Gremelsloo en Worfelt veraccordeert met meester Martinus
Marechal klockengieter in maniere naervolgende.
In den eersten soo sullen dij nabueren voorscreeven alle materialen
aen den voorscreeven mester leeveren om hunne groete klock te hergieten
welcke in hunne tooren is hangende en geborsten is. Waer en tegen de meester
sich verbindt die geseyde clock soo fideel te hergieten dat ieder een d'selve
prijsen sal oft bij faute dan dien soo obligeert sich den meester op syne
kosten d'selve te hergieten, ten tweeden soo hebben die nabueren oft hunne
gecommitterde borgemeesters gelooft den selven meester te geeven thien
gulden maseycker geldt voor ieder hondert pondt en die selve te betaelen
nae acht oft thien daegen naer dat dij klocke sal volmaekt en hergoeten
zijn in oorkonde de waerhydt hebben den meester Marten en de Borgemeesters
voorscreven dese geteyckent.
Jan Crauwinckels,
burgemeester tot Alden Euck met Gerdt Caris, Heyliger Voegsels uit den
Venne burgemeester Jos Haecks van Worfeld.
Volgens de oncusten tot dij bovengeseyde clocke gesciet van Jos
Crauwinckels welcke door de naburen is versocht gewest om alle materialen
te bestellen, heft dese oncusten gedaen.
In den eersten bijgevaeren vijf karren leems, noch dry karren tichelsteen,
een kerre turfs, een half pondt wasch, vijf pondt rents, drij coppen assen,
een ¼ van een pot smoudt, 3 pondt een vierdel weeniger kennep, dry
vaet houtcoolen, ses pondt haers, een half pondt fijnen kennep, item 28
pondt klockespijs, item ten huisen burgemeester wennemaeckers holt voor
thien gulden.
Op heeden den 30 9ber 1660 hebben wij onse voorseyde klocke binnen
Maes Eyck gewaecht in de groete waege en is bevonden swaer te sien ses
hondert sestich pondt, welcke den eersten dach october is gewijdt gewesen
door den Eerw. heer deecken van Maeseyck fred. Borman en is geheten Anna
Maria.
Volgen die naemen der peeters en meeters binnen Maeseyck wonende. Den
heer Schotis Jacob Claessens en beyde burgemeesteren van Maeseyck te weten
Burgemeester Henrick Croll en Arnold Mouwens. Burgemeester Pijlmans mijnen
vader. Burgemeester dirick Houbie, Burgemeester dirick Lenssens en Joës
van Hocht.
Volgen die namen der meeters: Anna Bez, Joffrouw Catharina Leenaerts,
Weduwe Burgemester Bormans zaliger, Margareta Bouten en Helena Malders
jonge dochters.
d'peeters (van) Alden Eyck en meeters:
Joncker Jan Pollaert, Jos Crauwinckels, Jos Wenthuysen, Heyliger
Voogels, Thijs opt eynde, Reynder Snyckers, Jacob Wenthuysen,Hendrick
Crauwinkels, Wedu(w)e dirk Cuypers, Elisabeth Woosten, Merry Woosten.
hier volgen d'andere oncusten.
Welcke voorseyde peeters en meeters hebben geoffert 109 gulden segge
hondert en negen guldens.
den klockengieter getelt 75 gulden vijf stuiver en dat ter oorsaecke
sij twee pannen hadde gegoeten voor een van dy andere twee klocken.
Aen frans pottgieters voor clockespijs gebeesicht tot d'selve klocke
als oock twee pannen te gieten 52 guldens, aen alabert tuimeleers om d'klocken
op te trekken en d'asse te hermaecken ellef gulden 17 stuivers.
den custer van AldenEyck dij den gieter geholpen hadde getelt 12 gulden.>BR>voor
een aems biers dij verdrocken is als wanneer d'klocke was geseegent door
d'peeters en meeters- 8 gulden 10 stuivers.
voor een vierdel wijns ten selven daege- 4 gulden.
aen frans Loyemans voor eenich holt geobert om die klocke te gieten-
4 gulden.
aen Jan Strijckers om het selve houdt te klieven 2 gulden 5 stuivers-
noch gegeven 5 gulden 17 stuivers aen bier verdroncken opt accort van den
klocken gieter als oock frans pottgieters.
voor eenen bandt in die klocke- 1 gulden 4 stuiver.
Naer dat den onvaanck van peeters en meeters by gebrocht is by den
uitgaff der oncusten gereesen om dij klocke te gieten soo heft men bevonden
dat d'gemeynte te cort quaem 37 gulden - vier stuivers soo dat men genoetseckt
syn geweest eenen scat der huisen te stellen soo onder Alden Eyck, gremelsloo,
venne en worfelt als oock cleen heppenaert welcke oock altesaemen geerne
gecontribueert hebben tot voldoeninge der voorseyden geresene costen.
Quod attestor,
Arn.Pijlmans paster in Alden Eyck.
(Bijdrage Architect M. HENDRICKX)
Sententia in saecke de H. Meyer Dreessens oft nochlijk tegen Peter Craewinckels in de wandeling hoge Pier, ofte Pier pruck gedetineerden Schepen ter maen.sse des H.Stadthouders astumpto impartiali conderaeren den gedetineerde te sullen gehangen woorden door den Scherprechter aen eenen galgen boom tuschen Hemel en aerde met eenen strop om den hals, tot dat de doodt daer naer volght, en de als dan met eene ijsere ketting aen den galgen boom hichten, andere ten exempel.uitrxe et publicatum in jud extraord. te kessenich hae 1 febry 1754 et fiat copia
Wij Johan Philip Baron De Wae vrij .aender Here des Landts ende Vrijheer
Lukheijd kessenich Bronshorn Hunsel en ons oogmerk nemende op de Jonkhijdt
van Hans Pieter Paeschen en de Peter van Craywinkel beijde door sententie
van den Eersten deser ter galgen gecondemneerdens ende de selve eentghesintse
in consideratie willende nemen soo ist dat wij genadelijk tot deslde ine
0nerende dese ten recht gevend sententie ende condemnatie ter galge uijt
onse als geboorne · machte comminueren ende veranderen in eene separatie
hunner hoofden van hunne lighaemen sullende hunne hooden in plaetse van
de lighaemen op de galge gestelt worden anderen ten exempel Insgelijkx
willende in eniger maniereen versaghten de doot van Henricus molenaers
soo ist dat wij goedgevonden hebben te an... deren ende te statueren dat
den selven immediaet nae dat hem volgens sententie armen ende beenen gebroken
sullen sijn, eenen slag van gratie op de borste gegeven sal worden latende
de sententie in haere verdere punten haren effect sorteren. Aldus gegeven
op on adelijk huijs Born Itter den 5sten febru. 1754
get.P Baron Dewae
N.B. Zoals altijd komt loontje om zijn boontje. De Baron Dewael werd enkele jaren later door een landloper doodgeschoten.
Nadere bijzonderheden.- De vrouw die erg gekwetst werd, is zekere
Jeanette Krawinckel, geboren te Maeseyck in 1898, echtgenote van
den dader.
De moordenaar verklaarde bij zijn ondervraging, dat zijn vrouw hem
voor 6 maand verliet, wat hem veel leed berokkende.
Hij ontmoete haar bij toeval te Brussel en vroeg haar hem naar Mechelen
te volgen.
Toen zijn vrouw weigerde kon hij zijn woede niet bedwingen, schoot
haar neer en tractte zich daarna te zelfmoorden. De moordenaar betreurd
zichzelf en zijn echtgenote niet te hebben gedood,
Het slachtoffer, dat in bedenkelijke toestand naar het St. Jansgasthuis
overgebracht werd, is Donderdag overleden, zonder totbezinning gekomen
te zijn. De toestand van Frans Beernaert, die na de misdaad het wapen tegen
zichzelf gekeerd had, is bevredigend.
(Uit: Het Limburgs Volksblad)
Door Kortzebues Blijspel Die deutschen Kleinstädter kreeg de naam Krähwinkel een slechte faam, en zo ook de voorstad van Karlsruhe met deze naam. In 1804, een jaar na de eerste voorstelling van Kotsebues blijspel, werd de naam dan ook veranderd in Grünenwinkel of Grauwinkel; nu heet het voorstadje Grünwinkel,(Uit:Addof Bach: Deutsche Namenkunde. Die deutsche Ortsnamen I Heidelberg, 1954. blz 521) en vandaar volgende verklaringen uit een Duits woordenboek:(Uit: Grim: Deutsches Wörterbuch, K, Bd.5.Leipzig, Hirzel, 1873 blz.1975)
Ausländer, Fremde sind es meist,
Die unter uns gesät den Geist
Der Rebellion. Dergleichen Sünder -
Gottlob! - sind selten Landeskinder
Auch Gotteleugner sid es meist;
Wer sich von seinem Gotte reisst,
Wird endlich auch abtrünnig werden
Von seinen irdischen Behörden.
Wer auf der stasse räsoniert,
Wird unverzüglich füsiliert;
Das Räsonieren durch Gebärden
Soll gleichfalls hart bestrafet werden.
Vertrauet eurem Magistrat,
Der fromm und liebend schätzt den Staat
Durch huldreich hochwohlweises Walten;
Euch ziemt es, stets das Maul zu halten.
_________________________________________________________________
